| Betekenis David
Geslacht:
m
verklaring:
Hebr. naam, vermoedelijk met de betekenis `lieveling, vriend'. Naam
van de opvolger van Saul als koning van Israël. Als herdersjongen
overwinnaar van de reus Goliath, als koning de eigenlijke grondvester
van het rijk. Hij maakte Jeruzalem tot hoofdstad. Hij is een belangrijk
psalmdichter. De heilige David, patroon van Wales, was Davis (Dewi)
van Menevia, geb. 480 à 500. Hij was apostel van Zuid-Wales,
Cornwall en Bretagne; kerk. feestdag: 1 maart, deze dag heet in
Wales St. David's. Zie ook Dewi. Ook enige koningen van Schotland
droegen de naam. De naam kwam vroeg in gebruik: Elzas 744 (Socin);
Rijnland 1068 (Littger, 186, ziet mogelijkheid van `Angleichung'
aan een Germ. naam als Deot-had); West-Vla. 7e-9e eeuw (Leys); Holl.
12e eeuw. |
|